Dossiers > Dossier overzicht > Medezeggenschap > Kredietcrisis & OR

Is de WOR de uitzendkrachten vergeten?

De ondernemingsraad kijkt vaak goedkeurend toe als hun bedrijf eerst de uitzendkrachten de laan uit stuurt. Alsof de uitzendkrachten niet tot de achterban van de OR behoren. Dat kan anders!

De uitzendkracht als klapstoel van de economie

November jongstleden verscheen er een artikel in "de Volkskrant" van Jeroen de Glas voorzitter FNV Jong en Anja Jongbloed, secretaris FNV Bondgenoten,  en Margriet Kraamwinkel, coördinator en adviseur arbeidsvoorwaarden FNV Bondgenoten. In dit artikel pleiten zij voor gelijke arbeidsvoorwaarden en loon als voor de vaste werknemers in een bedrijf. Het artikel begint met de volgende constatering :"De gevolgen van de kredietcrisis worden voelbaar in de echte economie en uitzendkrachten zijn de eersten die de klappen krijgen. Veel ondernemingen hebben een vaste kern aan personeel dat een vast contract heeft, onder de cao valt en een pensioen opbouwt. Daarnaast bestaat een reservoir van uitzendkrachten en andere flexwerkers die soms jarenlang bij hetzelfde bedrijf hetzelfde werk doen. Deze werknemers worden nu als eerste ontslagen of 'niet meer opgeroepen'. De uitzendkracht is de klapstoel van de economie en die groep bestaat grotendeels uit vrouwen, allochtonen, jongeren en laagopgeleiden." In de afgelopen vijftien jaar is het totale aandeel van uitzendkrachten op de arbeidsmarkt bijna verdubbeld van 10% tot bijna 20% van de werkzame bevolking. Veel bedrijven kennen zelfs een vaste schil van uitzendkrachten van wel 25 tot 40 procent van de werknemers naast een schil voor "piek en ziek". Veel ondernemingsraden worden momenteel geconfronteerd met forse inkrimping van deze vaste schil.

De vertegenwoordigende rol van de OR

Op het eerste oog lijkt het dat er voor ondernemingsraden bij dergelijke inkrimpingen geen rol is weg gelegd? Het tegendeel is waar, de WOR kent wel degelijke een vertegenwoordigende functie toe aan de ondernemingsraad als het gaat om uitzendkrachten. Sinds 1999 hebben uitgeleende werknemers tevens medezeggenschapsrechten in de onderneming waar ze feitelijk werkzaam zijn  (art 1.3 & 6.4 WOR).

De wettelijke positie

De wettelijke mogelijkheden voor de ondernemingsraad bij een dergelijke inkrimping lijken beperkt. De wet kent wel het adviesrecht omtrent het groepsgewijs werven en inlenen van uitzendkrachten (art. 25.1.g WOR) maar kent de OR geen rol toe bij het afstoten van deze arbeid. Bij het opstellen van dit artikel speelde vooral de praktijk van voorkomen van draaideurarbeid een belangrijke rol. Het artikel moest er voor zorgen dat ondernemingsraden er op zouden kunnen toezien dat bedrijven niet eerst personeel zouden ontslaan om het vervolgens via het uitzendbureau flexibel en goedkoper aan te nemen. De wetgeving had en kon niet voorzien dat de toename van uitzendarbeid zo'n groei zou doormaken en dat daardoor in tijden van crisis juist onder dit “halfvaste” personeel de zwaarste klappen zouden vallen. In deze tijd van kredietcrisis mogen we dan ook concluderen dat de WOR de uitzendkrachten in dit opzicht is vergeten.

Artikel 25.1.d is in deze het belangrijkste aanknooppunt want daar gaat het om een besluit tot belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming. Ondernemingsraden zouden adviesrecht kunnen claimen op basis van dit artikel met betrekking tot de gevolgen van een belangrijke inkrimping ten aanzien van het ingeleende personeel. Gezien de vertegenwoordigende taak van de ondernemingsraad voor het personeel, ook voor uitzendkrachten, mogen OR'en dit niet laten liggen. Want wat de kredietcrisis ons leert, is dat de bedrijfsorganisatie is veranderd. Er is bijna geen onderneming meer waarvan het personeelsbestand uitsluitend uit vaste medewerkers bestaat. Vrijwel elk bedrijf bestaat tegenwoordig uit een vaste kern een flexibele schil.

Overige aanknopingspunten voor de OR t.a.v. uitzendkrachten

  • Ondernemingsraden zouden uitzendkrachten beter bij het OR werk kunnen betrekken. Dit kan door uitzendkrachten actief te benaderen, hun wensen en behoeften in beeld brengen door hen te betrekken bij het raadplegen van het personeel. Zo kan er meer aandacht aan worden besteed om uitzendkrachten in de ondernemingsraad te krijgen en ze te betrekken bij OR-commissies.
  • De ondernemingsraad heeft wel adviesrecht met betrekking tot het groepsgewijs werven of inlenen van arbeidskrachten. De ondernemingsraad kan in een dergelijke adviesprocedure proberen afspraken te maken over de rol van de OR bij inkrimping van de vaste schil van uitzendkrachten.
  • Op basis van artikel 24.1 kan de ondernemingsraad afspraken maken over haar rol m.b.t. verwachtte inkrimpingen, ook kan de ondernemingsraad dit doen op basis van haar initiatiefrecht.
  • Op basis van artikel 31.b heeft de ondernemingsraad het recht op informatie met betrekking tot de verhouding vast personeel  en ingehuurd personeel en het gevoerde sociale beleid t.a.v. deze groepen. Tevens geeft artikel 31.d de mogelijkheid om het verschil in beloning tussen de groepen bespreekbaar te maken.

Rol voor vakbonds(kader)leden
De afgelopen jaren heeft de schil van ingeleend personeel in alle stilte gestaag kunnen groeien. Het is dan ook belangrijk dat bij constatering van een dergelijke groei vakbondsbestuurders hierover worden geïnformeerd. Bij inkrimping is het ook wenselijk dat de vakbondsbestuurder van de inlenende organisatie wordt ingelicht maar ook die van de uitlenende organisatie. Voor kaderleden en ondernemingsraden is het belangrijk dat deze signalen ook bij de vakbond bekend zijn. Nog belangrijker is het om samen met het personeel (zowel ingeleend als vast personeel), de onvrede, wensen en behoeften in kaart te brengen en gezamenlijk zaken aan te kaarten.